1. Bevestiging
• De resultaten van de leerlingen systematisch en eerlijk erkennen en vieren
• De resultaten van de leraren systematisch en eerlijk erkennen en vieren
• Wat fout gaat op school als geheel systematisch en eerlijk erkennen
2. Veranderaar
• Bewust vraagtekens plaatsen bij de status quo
• Bereid zijn om leiding te geven aan veranderingsinitiatieven met een onzekere uitkomst
• Constant op zoek zijn naar nieuwe, betere manieren om de dingen te doen
• Consequent trachten aan de grenzen van de schoolkaders te handelen in plaats van in het midden
3. Resultaatgerichte waardering
• Hard werken en resultaten gebruiken als de basis voor waardering en erkenning
• Prestaties (versus anciënniteit) gebruiken als primair criterium voor waardering en erkenning
4. Communicatie
• Het ontwikkelen van effectieve communicatiemiddelen voor leraren
• Gemakkelijk toegankelijk zijn voor leraren
• Het onderhouden van open en effectieve communicatielijnen met het team
5. Cultuur
• Het stimuleren van saamhorigheid binnen het team
• Het stimuleren van ‘je goed voelen’ op school
• Het ontwikkelen van inzicht van de teamleden in de doelen van de school
• Het formuleren van een gemeenschappelijke visie
6. Beschermen en bewaken
• De onderwijstijd garanderen en beschermen
• Leraren beschermen tegen interne en externe invloeden die de primaire taak in gevaar brengen
7. Flexibiliteit
• De leiderschapsstijl aanpassen aan de situatie
• Directief of niet-directief handelen, al naar gelang de situatie
• Mensen stimuleren om uiteenlopende en afwijkende meningen uit te dragen
• Er geen moeite mee hebben om grote veranderingen aan te brengen in de manier waarop de dingen worden gedaan
8. Focus
• Het invoeren van concrete doelen ten aanzien van het lesprogramma, het onderwijs en de beoordelingscriteria binnen de school
• Concrete doelen stellen voor het algemeen functioneren van de school
• Hoge, concrete doelen stellen en verwachten dat de leerlingen hieraan zullen voldoen
• Continu de vinger aan de pols houden van de gestelde doelen
9. Idealen/overtuigingen
• Het hebben van goed doordachte overtuigingen en idealen over ondrewijs
• Overtuigingen en idealen over de school, de lespraktijk en het leren uitdragen aan het team
• Gedrag laten zien dat congruent is met de idealen en overtuigingen
10. Invloed geven
• Teams zeggenschap geven in het bepalen van het beleid
• Teams zeggenschap geven in (belangrijke) beslissingen
• De schoolleider betrekt alle verantwoordelijken bij de besluitvorming
11. Intellectuele uitdaging
• Het team steeds weer in contact brengen met de nieuwste research en inzichten over goed onderwijs
• Op de hoogte blijven van de nieuwste research en inzichten over goed onderwijs
• Systematisch prikkelende gesprekken voeren over research en inzichten over goed onderwijs
12. Betrokkenheid bij programma, didactische aanpak en toetsing
• Rechtstreekse betrokkenheid bij en ondersteuning aan leraren bij de vormgeving van het onderwijsprogramma
• Rechtstreekse betrokkenheid bij en ondersteuning aan leraren bij de wijze van toetsing van resultaten
• Rechtstreekse betrokkenheid bij en ondersteuning aan leraren als het gaat om didactische aanpak
13. Kennis van programma, didactische aanpak en toetsing
• Uitgebreide kennis van de juiste didactische aanpak
• Uitgebreide kennis van programma’s die goed en waardevol zijn
• Uitgebreide kennis van toetsingsmethoden
• Zorgen voor de juiste begeleiding van leraren door specifieke kennis van best practices
14. Monitoring/evaluatie
• Voortdurend toezicht houden op de effectiviteit van het programma, de didactische aanpak en de toetsing
• Voordurend de vinger aan de pols houden over de impact van de werkwijze van de school op de leerlingenprestaties
15. Optimisme
• Leraren inspireren om dingen te bereiken die boven hun macht lijken te gaan
• De stuwende kracht zijn achter belangrijke initiatieven
• Een positieve houding uitstralen over het vermogen van het team om belangrijke dingen tot stand te brengen
16. Structuur
• Routines invoeren die de teamleden begrijpen en kunnen toepassen, zodat alles probleemloos verloopt op school
• Duidelijke structuren, regels en procedures invoeren voor de leraren en daarop toezien
• Duidelijke structuren, regels en procedures invoeren voor de leerlingen en daarop toezien
17. Woordvoerder
• Garanderen dat de school voldoet aan alle wettelijke eisen en regels
• De schoolbelangen behartigen richting ouders
• De schoolbelangen behartigen richting bestuur en/of bovenschoolse directie
• De schoolbelangen behartigen richting de maatschappij en maatschappelijke instanties
18. Relaties
• Op de hoogte zijn van belangrijke persoonlijke zaken van teamleden
• Bewust zijn van de persoonlijke behoeftes van teamleden
• Aandacht schenken aan belangrijke gebeurtenissen in het leven van de teamleden
• Een persoonlijke relatie onderhouden met de leraren
19. Voorwaarden
• Garanderen dat leraren over de benodigde materialen beschikken
• Garanderen dat leraren toegang krijgen tot de noodzakelijke ontwikkelingskansen als rechtstreeks middel ter verbetering van hun manier van lesgeven
20. Situationeel bewustzijn
• Accuraat kunnen voorspellen wat er op een willekeurige dag zoal verkeerd kan gaan
• Weten welke informele groepjes en relaties er bestaan binnen het team
• Weten welke kwesties er onder het oppervlak zweven die tot onenigheid kunnen leiden op school
21. Zichtbaarheid
• Regelmatig en veelvuldig een bezoekje brengen aan de klas
• Veelvuldig contact houden met leerlingen
• Zichtbaar en toegankelijk zijn voor leraren, leerlingen en ouders